Toproofdier

Als toproofdier in zijn omgeving joeg Smilodon voornamelijk op grote zoogdieren. Isotopenonderzoek op de botten van S. fatalis uit de La Brea teerputten onthult dat grazers als de bizon (Bison antiquus, groter dan de moderne Amerikaanse bizon) en kamelen (Camelops) het vaakst door deze katten werden gegeten. Uit onderzoek op tanden van de S. gracilis, gevonden in Florida, blijkt dat deze soort joeg op de varkensachtige Platygonus en de lama-achtige Hemiauchenia. Bovendien laat onderzoek op de Reuzenwolf (Canis dirus) en de Amerikaanse holenleeuw (Panthera atrox) zien dat deze dieren ook joegen op dezelfde prooi als de S. fatalis, waaruit valt op te maken dat er sprake was van concurrentie.

De aanwezigheid van prooi in het La Brea gebied was waarschijnlijk vergelijkbaar met hedendaags Oost-Afrika. Nadat de Smilodon naar Zuid-Amerika migreerde veranderde zijn dieet; er waren daar geen bizons, de paarden en slurfdieren waren anders, en de aanwezige hoefdieren zoals de Toxodont en Litopterna waren onbekend voor ze. Toch vaarde de S. populator hier net zo goed als de andere soorten in Noord-Amerika. De verschillen tussen de Noord- en Zuid-Amerikaanse Smilodon soorten kunnen mogelijk toe te schrijven zijn aan het verschil in prooidieren.

Smilodons lieten waarschijnlijk de botten van hun prooi onaangeraakt en lieten zo genoeg over voor aaseters. Zelf zouden ze mogelijk geaasd hebben op de prooien van de Reuzenwolf. Er is verondersteld dat de Smilodon een aaseter was die zijn indrukwekkende hoektanden enkel gebruikte om angst aan te jagen om zo karkassen op te eisen, maar dit wordt tegenwoordig niet ondersteund en geen enkel modern landzoogdier is puur aaseter.

 

Aannames op basis van fysieke eigenschappen

Uit de fysieke eigenschappen van Smilodon zijn verschillende conclusies te trekken over zijn jachtgedrag.

De hersenen van Smilodon hadden patronen in de hersengroeven die lijken op die van moderne katachtigen, wat suggereert dat ze een vergrote complexiteit hadden in de regionen die gaan over het gehoor, zicht en de besturing van de ledematen. Sabeltandkatten had over het algemeen relatief kleine ogen die niet zo vooruit kijkend waren als die van moderne katten, die over goed tweeogig zicht beschikken om ze te helpen bomen te beklimmen.

Smilodon was waarschijnlijk een sluipjager die zich in dichte begroeiing verschool. Het hielbot van Smilodon was behoorlijk lang, wat doet denken dat hij goed kon springen. Zijn gespierde voorpoten maakten het waarschijnlijk mogelijk om grote prooidieren neer te trekken en vast te klemmen.

Onderzoek van een doorsnede van het Humerus (opperarmbeen) van S. fatalis liet zien dat deze veel sterker is en een grotere draagkracht heeft dan bij moderne grote katten, of bij de Amerikaanse holenleeuw. De Femur (dijbeen) was echter vergelijkbaar met die van levende katten. Aangezien zijn slagtanden breekbaar waren en niet in bot konden bijten, gebruikten deze katten hun tanden niet om prooi neer te brengen, vanwege het risico hun tanden te breken, en moesten hun poten gebruiken om de prooi neer te klemmen zodat zij hun tanden konden gebruiken. Daarentegen kunnen moderne katten met hun beet een prooi neer brengen en doden.

 

De doodsbeet

Er blijft discussie over hoe Smilodon zijn prooi precies doodde.

Over het algemeen is de meest populaire theorie dat de kat een diepe beet leverde of met open bek een steek aanbracht aan de nek, hiermee door de halsslagader en/of de luchtpijp snijdend om de prooi snel te doden. Een andere theorie is dat hij door de borst van de prooi beet (een groot, makkelijk doelwit) met een gesloten bek, om zo een klaplong te veroorzaken. Volgens een derde theorie zou Smilodon zich juist op de buik richten. Dit wordt echter in twijfel getrokken aangezien de ronding van de buik van hun prooien waarschijnlijk zou hebben gezorgd voor een te moeilijk oppervlak om makkelijk te bijten.

Of Smilodon zijn hoektanden gebruikte om een beet toe te dienen, of met de tanden te steken met dan wel open of gesloten bek, is onduidelijk. Over hoe de beet zou worden toegediend denkt men aan de “hoektand-schaar-beet”, waar strekking van de nek en draaiing van de schedel hielpen in het leveren van de beet, maar dit zou mechanisch gezien moeilijk kunnen zijn. De uitsteeksels aan de onderkaak zouden hebben kunnen geholpen om het buigen van de kaak tegen te gaan wanneer de onderkaak tegen de huid van de prooi schuurde. De vooruitstekende snijtanden stonden in een boog, en werden gebruikt om de prooi te stabiliseren terwijl de slagtanden de doodsbeet toedienden.

Het contactgebied tussen de kroon van de slagtand en het tandvlees was vergroot waardoor de kat beter kon voelen wanneer de tand volledig was doorgedrongen bij de prooi. Aangezien sabeltandkatten een relatief grote foramen infraorbitale (opening in de schedel waardoor zenuwen lopen voor de snorharen) had, is er gesuggereerd dat de verbeterde zintuigen zouden hebben geholpen met de precisie van de beet buiten het gezichtsveld van de kat, om te voorkomen dat de slagtanden braken.

De vlijmscherpe tanden werden gebruikt om huid te snijden om toegang te krijgen tot het vlees, en de verminderde kiezen suggereren dat ze minder in staat waren om botten te breken dan moderne katten. Aangezien het voedsel bij moderne katten via de zijkant van de bek naar binnen komt terwijl het gesneden wordt met de tanden, niet door de voorkant tussen de hoektanden door, hoeven de beesten hun bek niet ver te openen, op deze manier zouden de hoektanden van de Smilodon ook geen bezwaar zijn geweest bij het eten.

 

Bijtkracht

Hoewel Smilodon veel sterker gebouwd was dan de moderne kat, was zijn beet minder krachtig. Moderne grote katten hebben grotere jukbeenderen, waar deze bij de Smilodon kleiner waren, dit beperkte de dikte en sterkte van de daaraan vastgeklampte spieren en verminderde daardoor zijn bijtkracht. Analyse van zijn smalle kaak laat zien dat het een beet van ongeveer een derde van de kracht van een leeuw had.

Er bestaat een zekere verhouding waarin de sabeltandkatten met de langste tanden de zwakste beet hadden. Echter heeft analyse van de buigkracht (kracht die de tand kan weerstaan zonder te breken) van de hoektanden en bijtkrachten aangetoond dat de tanden van sabeltandkatten relatief tot hun bijtkracht sterker waren dan die van moderne grote katten. Bovendien kon Smilodon zijn kaak erg ver opensperren, bijna 120 graden, terwijl moderne leeuwen maar tot 65 graden komen. Dit zorgde ervoor dat Smilodon erg grote prooien kon bijten zelfs met de verlengde hoektanden.

Bron: Wikipedia

De Sabeltandtijger uit de Noordzee

De Sabeltandtijger uit de Noordzee

De Sabeltandtijger uit de Noordzee
Nu bestellen